Hanneke van Veen

Archive for december 2010

Na een mooie sneeuwwandeling op tweede Kerstdag gaan we theedrinken in Gember naast het GEM/Fotomuseum in Den Haag. Nadat we bediend zijn valt mijn oog op een onooglijk kleine rode kerstster in een vrij grote glazen pot. Als dochter van een bloemist en bovendien voorzien van groene vingers zie ik direct dat de plant het heel erg moeilijk heeft. Op de tafeltjes om mij heen is precies hetzelfde aan de hand. Groene en rode blaadjes hangen slap over de potrandjes. Mijn vinger voelt routineus aan de potaarde van het plantje op onze tafel. De diagnose is eenvoudig: in geen dagen is er hier iemand met een vol gietertje langs geweest. Hier moet ingegrepen worden.

Netjes waarschuw ik mijn partner dat hij nu nog kan vluchten, maar hij blijft gewoon zitten ook als ik hem verteld heb dat ik van plan ben water te bestellen. De ober komt vrij snel. “Nee, ik wil niets voor onszelf bestellen, maar wel voor de planten die overal slap hangen van de dorst. Kijkt u maar. Ik ben van de actiegroep ‘Red die plant’. Hopelijk ben ik nog net op tijd.”
De man is duidelijk not amused. “Nee, dat heeft geen enkele zin meer. Ze gaan toch allemaal de vuilnisbak in na de Kerst,” en hij loopt zonder ons of de planten nog een blik waardig te gunnen naar een andere tafel.

Wat onaardig, denk ik. Die planten hadden nog maanden kunnen bloeien en komen nu voortijdig aan hun eindjes. De kamerplant als wegwerpproduct. Geef ze dan aan een bejaardenhuis, aan het personeel of aan de klanten mee. Maar dat is natuurlijk teveel moeite. Ik begin me nu een beetje op te winden en merk op dat Kerst trouwens nog volop aan de gang is. Met een beetje verzorging hadden die planten er nu nog fris en fruitig bij gestaan. Het is pas drie uur ’s middags en Kerst duurt voor mij tot 12 uur vannacht!“
Wij maken een foto en gaan naar huis. Dit ga ik onmiddellijk melden aan De Zielige Plant. Die begrijpen me tenminste.

Advertenties

Mijn zus bracht me na de geslaagde logeerpartij naar het Centraal Station van Amsterdam waar ze woonde. Eerst had ze nog een treinkaartje voor me gekocht en me geïnstrueerd dat ik geen directe trein naar Den Helder kon nemen, maar in Alkmaar moest overstappen. Het zou wel laat worden voor ik weer thuis was, maar dat kon me echt geen klap schelen.  De dagen waren omgevlogen, en ik had er wat voor over gehad als ik langer had kunnen blijven. Wat een stad. Over een aantal jaren zou ik daar natuurlijk ook gaan wonen, net als mijn beide zussen, dat stond voor mij vast.

Een van de hoogtepunten dit keer was het urenlange rondlopen op de rommelmarkt van het Waterlooplein. Mijn zus had die middag een afspraak en kon niet mee. Het was best een beetje eng daar alleen naar toe te gaan, maar wat een opwindende plek met al die vreemde spullen en wonderlijke mensen. Vooral de kooplui vond ik interessant. Bij een kraam met konijnen, kippen, kuikentjes en zangvogels had ik een tijd staan kijken en luisteren naar de marktkoopman die in plat Amsterdams zijn waar aanprees en de aandacht van het publiek trok door gekke opmerkingen te maken. Hij maakte er een soort voorstelling van en ik kon er geen genoeg van krijgen.

Om me een beetje een houding te geven deed ik of ik belangstelling had voor de schildpadden die ik in een kistje vlak bij mijn voeten zag rondscharrelen. De koopman zag het en maakte er onmiddellijk gebruik van door zich persoonlijk tot mij te richten. “Schildpadden vandaag in de aanbieding. Grote kosten een daalder en de kleintjes voor een piekkie.” De omstanders keken nu ook naar mij en ik pakte uit beleefdheid de kleinste uit de kist en zag direct dat er iets niet helemaal klopte. Het schildpadje had namelijk geen vier maar drie pootjes.

Dat kwam goed uit. Nu had ik een mooi excuus om van de koop af te zien en mijn weg te vervolgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet van af. “En, vind je het geen schatje?” riep de man. En toen hij me zag aarzelen: “Neem je hem nou of neem je hem niet. Als je alleen maar naar dieren wilt kijken dan moet je naar Artis gaan!” Om me heen hoorde ik gegrinnik en ik voelde het bloed naar mijn wangen stijgen. “Maar mijnheer, deze schildpad heeft maar drie pootjes, die is toch niet goed?” bracht ik eruit, maar daar zat ‘mijnheer’ helemaal niet mee. Voor hem was het een kans voor open doel. Hij pakte de inmiddels omgedraaide schildpad en begon hem op een overdreven manier te bestuderen, alsof hij zo’n beest voor het eerst van zijn leven zag. Daarna begon hij hardop te tellen alsof hij de schooljuffrouw van het debielen schooltje was. Elk pootje apart aanwijzend, en ondertussen zijn gehoor en mij bijzonder goed in de gaten houdend ging het van: “En dat is een, en dat is twee, en dat is drie. Warempel zeg, onze Lieve Heer heb een foutje gemaakt. Is dat schrikke” En hij vervolgde onder toenemende belangstelling en hilariteit: “Nou meidje, dan losse we dat toch effe op. Met vier pote was ie een piek, met drie pote slechts drie heitjes! Eerlijk is eerlijk! Hier is t’ie dan.”
Het gelach werd harder en ik durfde niet anders dan ja  te zeggen, haalde zo snel mogelijk het geld uit mijn zak en betaalde. Toen hij ook nog vroeg of hij hem voor me moest inpakken, of het voor een cadeautje was of ‘voor me eige’ en er weer gelachen werd vertrok ik snel met een rood hoofd en het beestje op mijn hand naar een veiliger plek.

En dat was de reden dat ik nu van mijn zus afscheid nam met niet alleen een klein leren koffertje bij me, het treinkaartje in mijn zak en mijn opgedrongen aanschaf met drie pootjes. De reis begon goed, met een mooi plekje voor het raam en weinig medereizigers, al trok ik wel wat bekijks met mijn nieuwe huisdier. Buiten was het donker geworden en mijn kaartje lag klaar voor de kaartjescontroleur, die nog niet langs was geweest en dit keer verstek liet gaan. We naderden Alkmaar en ik zette mijn koffertje vast klaar om snel over te kunnen stappen. Een luidsprekerstem maakte de reizigers erop attent dat deze trein niet verder ging dan Alkmaar. Dat klopte, ik moest aan de overkant van het perron een ander trein nemen naar Den Helder, maar hoorde ik het goed? De stem vervolgde dat dit tevens het eindpunt was van de reis.

Hoe was dat nu mogelijk. Verbouwereerd stond ik even later op het station en haastte me naar een conducteur om te vragen of ik het goed begrepen had. Het klopte dat er geen trein meer naar Den Helder ging, en het speet hem zeer, maar het was niet anders. Had mijn zus zich dan vergist? Ik kon het nauwelijks begrijpen, ze had zo lang in het spoorboekje zitten kijken en ze had alles opgeschreven. Ik kon wel huilen, want wat moest ik in hemelsnaam doen. Mijn geld was op en zelfs naar huis bellen kon niet. Mijn ouders zaten straks thuis op me te wachten en begrepen er natuurlijk niets van. Wat voelde ik me ongelukkig en ook bang, in het bijzonder voor ‘enge’ kerels.

Een aardige mevrouw, die op iemand stond te wachten ontpopte zich na een poosje als reddende engel. Ze zag me staan, vroeg of ze me ergens mee kon helpen, en wist (oh wat een geluk) vlakbij het station een klein pension waar ik misschien de nacht kon doorbrengen. En dat was inderdaad mogelijk. Mijn ouders werden gebeld want mijn vaders bloemenmagazijn was te vinden in het telefoonboek. Alle kosten, zo verzekerde mijn vader de eigenaar van het pension werden voor de volle honderd procent vergoed, daarvoor stond hij persoonlijk garant.  En zo belandde ik in een vreemd bed in Alkmaar, samen met mijn schildpad die ik in een hoekje van de kamer op het zeil mocht zetten met het van mijn zus meegenomen stuk brood en blaadje sla.

Maar ook nu was mijn avontuur nog niet afgelopen. De volgende morgen kon ik de schildpad eerst nergens meer vinden, hoe ik ook zocht. Hij of zij was onder een grote zware linnenkast gekropen en zat daar min of meer klem. Liggend op mijn buik en mijn arm zo lang mogelijk makend probeerde ik hem te pakken, maar het lukte gewoon niet. Even overwoog ik net te doen alsof hij niet bestond en hem daar maar gewoon te laten zitten, maar kon het toch niet over mijn hart verkrijgen. Het zou bovendien toch uitkomen, en na een paar dagen of weken zou het heel vies gaan ruiken in die kamer. En dan wist straks iedereen dat ik dat op mijn geweten had. Er zat niets anders op dan beneden bij de pensionhouder en zijn vrouw hulp te gaan vragen. Die deden deed niet al te moeilijk, zagen er de humor wel van in en ze riepen hun zoon om te helpen. De twee mannen tilden de kast een stukje op zodat ik de schildpad kon pakken. Het beestje heeft nog jaren in het ouderlijk huis gewoond, en het verhaal over mijn grote avontuur is keer op keer (en tot vervelens toe) verteld aan ieder die het maar horen wilden.


Hanneke van Veen