Hanneke van Veen

Archive for augustus 2011

Tegenwoordig, met al die nieuw samengestelde gezinnen, hebben kinderen soms wel vier of meer opa’s en oma’s. Heel verwarrend lijkt me. Toen ik klein was, kwam dat zelden voor, omdat echtscheidingen en tweede of derde huwelijken uitzonderingen waren. Mijn beide opa’s en oma’s hadden bovendien een heel andere benaming, omdat de ouders van mijn vader pake en beppe genoemd werden. Op zijn Fries dus.

Aan die ‘gewone’ opa heb ik maar twee duidelijke persoonlijke herinneringen. Hij was al oud toen ik geboren werd, zat meestal op dezelfde stoel in de kamer, en droeg een zonnebril vanwege ernstige slechtziendheid. De ene herinnering was dat hij pinda’s olienootjes noemde wat wij erg gek vonden, en de andere was voor mij als jong meisje nogal schokkend. Opa vertelde een keer, hij moest er zelf hard om lachen, dat de zwarte vrouwen in Zuid-Afrika half bloot rondliepen en hun baby’s en kleine kinderen op de rug meedroegen. Als het tijd werd om ze te zogen, gooiden de moeders gewoon hun borsten over hun schouder zodat ze konden drinken. Ik zag het al voor me, en wist niet of opa het echt zo meegemaakt had of dat het een rare grap was. Oma, een keurige, vrij strenge, magere vrouw riep opa dan boos tot de orde, maar opa vertelde het verhaal (op verzoek van de kleinkinderen) nog vele malen.

Van pake daarentegen weet ik me veel meer te herinneren. Hij was een kleine man, die steevast blij verheugd op ons toekwam als we daar in zijn huis in Rijswijk op visite kwamen. Je kreeg dan een prikkerige zoen (hij had een snor) en werd direct doorgestuurd naar de slaapkamer waar beppe meestal lag te rusten. Ze was vrij ziekelijk en lag veel op bed. Wat ik me van haar herinner zijn haar zachte kussentjes handen en lief rond gezicht. Pake zorgde goed voor haar en als de zon maar even scheen werd beppe buiten in het voortuintje op een stoel geplant met een dikke plaid om haar heen. Dat vervoer van slaapkamer naar tuin ging heel grappig. Pake ging tegenover haar staan en greep haar vast met beide handen. Zo waggelden ze samen door de gang terwijl pake een mal liedje zong of haar aanspoorde met: vort ouwe geit, of hup ouwe taaie, je moet nodig eens gelucht worden.

Pake was ook degene die voor het huishouden zorgde. Zijn griesmeel pudding met bessensap was beroemd. Helpen in de keuken met het bereiden van de maaltijd of afwassen was streng verboden. Dat deed hij liever zelf, ook als je daar langere tijd logeerde. De keuken was zijn domein, daar had je niets te zoeken. Bij verjaardagen met veel visite maakte hij wel eens een uitzondering. Van mijn moeder hoorde ik dat alles in de keuken er zeer primitief aan toeging, met keteltjes en pannetjes water op petroleumstellen en versleten afwaskwasten. Zelfs midden in de winter was er geen verwarming. In de rest van het huis kon het ook schrikbarend koud zijn. Extra ‘wolletjes’, dikke vesten en sjawls werden aangetrokken en meegenomen om de ijskou te trotseren. Het kwam overigens niet in ons hoofd op om een opmerking te maken over de temperatuur. We leden in stilte.

In de gang had Pake een kastje dat vol zat met pakken koffie en thee. Daarvan gaf hij er altijd een aantal mee als je weer naar huis ging. Hij steunde daar een oude weduwe mee uit Indonesië die een handeltje had in deze waren. Zo ging het verhaal. Dit behoorde tot een van de vele ‘goede werken’ van Pake.

Wat hij ook deed was het trakteren op zijn eigen verjaardag: een heel bejaardenhuis werd dan voorzien van gebakjes bij de koffie. Dat gunde hij de mensen graag. Zelf hield hij ook wel van iets lekkers en hij huldigde het devies om zoveel of zo weinig te eten dat er altijd nog een gebakje bij kon. Niet dat hij dat dan kocht voor zichzelf, geen denken aan. Hij deed het om de mensen die hij als dominee bezocht niet teleur te stellen als ze hem trots op een verjaardag zoiets wilden aanbieden.

Die huisbezoeken deed hij ook nog op hoge leeftijd (hij werd 97) op de fiets, en eenmaal gearriveerd kwam het veel voor dat hij met (oude, zieke) mensen ging zingen om ze wat op te vrolijken. Toen hij nog in Friesland in het dorpje Tzummarum als predikant werkzaam was voorzag hij niet alleen het eigen gezin van groenten en fruit (er was een enorme moestuin bij de pastorie), maar ook heel wat andere (grote) gezinnen die het niet breed hadden. Soms nam hij ook nog de moeite die groenten (zoals bieten) eerst voor hen te koken. Na zijn emeritaat verhuisde hij naar een huis zonder tuin, en was zijn privé ‘voedselbankje’ gesloten.

In Tzummarum was hij actief binnen de N.V. tot Afschaffing van den Sterken Drank en de drijvende kracht bij de oprichting van een Jeugdbond voor onthouding (1923). Daarnaast is er ook een toneelclub en een zangkoor voor deze jongeren opgezet. Op zijn oude dag nam hij overigens wel eens een slokje vertelde mijn broer die als dienstweigeraar in Den Haag bij de Staatsdrukkerij tewerkgesteld was. Een bezoekje aan pake in Rijswijk lag voor de hand, en samen brachten de beide heren dan de avond door onder het genot van diverse glaasjes. “Niet tegen je ouders zeggen hoor,” zei pake dan bij het afscheid tegen zijn kleinzoon.

In de periode dat ik op de middelbare school zat mocht ik in Rijswijk bij pake en beppe logeren. Een flink deel van de dag moest ik mezelf zien te vermaken en dat lukte goed met het lezen van boeken, wandelen en een boodschapje doen. Afwassen mocht dus niet, maar pake bedacht wel een leuk werkje voor me omdat ik toch bleef aandringen. Ik mocht de tientallen gaatjes in de grote witte onderbroeken van beppe repareren en kreeg er een hele stapel van aangereikt en een grote ouderwetse naaimand. “Zo, nu kun je jezelf nuttig maken, dat wil je toch zo graag?” en pake liep grinnikend naar de keuken. Was ik even blij…

Mijn oudste zus logeerde ook wel eens bij hen en leerde op een keer tijdens een wandeling een leuke jongeman kennen die een afspraakje met haar maakte. Pake was niet zo blij met deze ontwikkeling en wilde eerst geen toestemming geven dat ze door hem opgehaald werd. Pas nadat het horloge als onderpand was ingeleverd konden beiden vertrekken.

Pake schreef vaak brieven. Op mijn twaalfde kreeg ik zo’n mooie brief voor mijn ‘jaardag’ die ik altijd bewaard heb. Hij vraagt of ik wel goed mijn best doe op school en of ik al een knulletje heb. Hij memoreert mijn geboorte in 1943 toen beppe met mijn twee zusjes die bij hen gelogeerd hadden een bijzondere treinreis maakten. De reis uit Friesland naar Den Helder ging over Amsterdam, waar de trein afgeladen bleek en er niemand meer kon instappen. “Maar toen hebben mannen de drie dames opgetild en door een wagonraam naar binnen gegooid met de koffers. Was dat niet leuk? En wat is dat al weer lang geleden hè! Toen was jij nog maar een heel klein popje en nu ga je al naar het Lyceum.”

Jammer dat de tijd van brievenschrijven voorbij is, zo’n brief (van twee kantjes) is toch erg leuk om te krijgen en nu nog te hebben en te lezen?  Van een emailtje of smsje kan je dat niet zeggen.

Voor de kleinkinderen was pake altijd lief en aardig maar voor zijn kinderen kon hij ontzettend streng zijn. En voor zijn omgeving was hij bij tijd en wijle knap lastig. Als hij het idee had dat hij gelijk had en hem onrecht werd aangedaan dan had je een kwaaie aan hem. Hij spitte dan urenlang in archieven naar zaken die met erfrecht en met betalingen in geld en natura te maken hadden voor het gebruik van stukken land en een boerderij. In alle beschreven gevallen wint pake de rechtszaken en komt het geld in het vervolg aan de pastorie toe.

Soms loopt het minder goed af. Pake koopt vier nette woningen met flinke tuin in het kader van de ‘verheffing van de arbeiders.’ De gezinnen gingen er inderdaad flink op vooruit, maar door de crisis van 1930 konden sommigen de huur niet meer betalen. Ze mochten er wel blijven wonen, maar pake kreeg het nu zelf financieel moeilijk, omdat hij een hypotheek had moeten nemen om de bouw van de huizen mogelijk te maken.

In 1945 – hij is dan 66 jaar- neemt hij vrij plotseling afscheid van zijn beroep als predikant en in 1976 overlijdt hij op de leeftijd van 97 jaar. Hij woonde nog steeds zelfstandig en werd dood aangetroffen in de gang waar hij na een valpartij terecht was gekomen. Met een andere oud heertje dat dagelijks een wandelingetje langs zijn huis maakte had hij een afspraak gemaakt: als ik ’s ochtends vroeg niet voor het raam van de kamer zit dan moet je maar even komen kijken, dan is er waarschijnlijk iets met me aan de hand. En zo is het gegaan, pake is gevallen, raakte bewusteloos en een dag later was hij overleden. Het blijft altijd een naar idee dat hij daar helemaal alleen in die koude gang heeft gelegen (het was januari), maar zo heeft hij het zelf gewild: een bejaardenhuis was niets voor hem.

Advertenties

Hanneke van Veen